Abram is de eerste van de drie aartsvaders of patriarchen
van Israël van wie het leven beschreven wordt in het bijbelboek
Genesis. Hij stamde uit het geslacht van Sem, de zoon van Noach. Abrahams vader is Terach en zijn
broers heten Nachor en Haran. Haran sterft jong en laat een zoon achter,
Lot.
De bijbel vertelt niet waarom, maar op zeker moment besluit Terach zijn
geboortegrond Ur in Mesopotamië te
verlaten en met zijn familie op weg te gaan naar Kanaän. Men houdt een
aantal jaren stil in een plaats met de naam Haran, alwaar Terach
overlijdt.
Daartoe geroepen door God reist Abram met zijn vrouw Sarai en zijn neef Lot
verder naar Kanaän. Terug uit Egypte, waarnaar hij wegens een
hongersnood was uitgeweken, vestigt Abraham zich bij Hebron en Lot gaat
wonen in Sodom een stad die later wegens
de zondigheid van zijn inwoners verwoest zal worden.
Omdat Sarai maar niet zwanger wordt, geeft zij haar Egyptische slavin
Hagar aan Abram als een soort van draagmoeder, een constructie die in de
bijbel wel vaker wordt gevolgd. Bij Hagar verwekt Abram inderdaad een zoon,
Ismaël. Sarai voelt zich vervolgens door Hagar hooghartig behandeld en
ze zorgt ervoor dat Abram de slavin met haar zoon de woestijn instuurt.
Wanneer Abram en Sarai al bejaard zijn bezoekt God hen in de gedaante van
drie mannen en voorspelt hen dat Sarai ook zelf nog zwanger zal
worden. Sarai lacht hem stiekem uit, maar natuurlijk komt Gods woord uit en
een jaar later baart zij Isaak. Tegen die achtergrond - ouders beide
bejaard, Isaak hun enige zoon - is Gods opdracht om Isaak te offeren de
ultieme test voor het geloof van Abram.
De aartsvader Abram is in het joodse zowel als in het christelijke en islamitische geloof een centrale figuur. Zijn naam kent twee varianten. Abram betekent vader is verheven, Abraham betekent vader van menigten. God veranderde zijn naam van Abram in Abraham toen Abram Gods opdracht uitvoerde om alle mannen en jongens van zijn stam, te beginnen bij Ismaël, te laten besnijden.


