Adam - de eerste mens

Schepping van Adam
Eigenlijk vertelt het eerste boek van de bijbel, Genesis, verschillende verhalen over de schepping van de mens.
In hoofdstuk 1 wordt het relaas gedaan van de schepping van hemel en aarde, planten en dieren en, ter afsluiting en bekroning, de mens: 'En God zei: 'Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen ... de vogels ... de tamme dieren, ... alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt. En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hen; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.'
Nadat God de planten nog heeft ingedeeld in soorten die de mens tot voedsel zullen dienen en soorten die voor de dieren bestemd zijn is de schepping voltooid en kan God rusten.
In het tweede hoofdstuk van Genesis volgt een tekst die iets meer details bevat en dus de basis vormt voor afbeeldingen zoals je hiernaast ziet: 'Toen boetseerde de HEER God de mens uit stof dat Hij van de aarde nam, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen'.
Vervolgens plaatst God de eerste mens in de hof van Eden, 'ergens in het oosten. In een van de Parijse historiebijbels is mooi te zien hoe men zich dat voorstelde: God sjouwt een 'geboetseerde' Adam naar de hof van Eden om hem tussen de vier rivieren van het paradijs - Pison, Gichon, Chiddekel en Eufraat - neer te zetten.
Zoals gewoonlijk weet de Historiebijbel dit verhaal nog wat te preciseren: Int Dal van Josaphat daer lach een cluut aerde. Daer blies God op ende seide: "Adam, staet op." Ende rechtervoert was hi een levende, volmaect mensche in die gedaent van 33 jaeren.
Als het hierbij zou zijn gebleven dan zou je deze tweede tekst over de schepping van Adam, zelfs in de versie van de historiebijbel, gewoon als een nadere uitleg van de eerste tekst kunnen beschouwen. Het is echter vooral het vervolg dat verbazing wekt.

Adam benoemt de dieren
Er staat namelijk in het eerste hoofdstuk dat God de mens als 'man en vrouw' schiep. In het tweede hoofdstuk zegt God bij zichzelf dat het niet goed is als Adam alleen blijft en hij gaat een hulp voor hem maken die bij hem past. Hoe God daarbij te werk gaat is opmerkelijk. Hij 'boetseert' namelijk (opnieuw?) landdieren en vogels en die brengt hij bij Adam 'om te zien hoe hij ze zou noemen'. De eerste mens ziet de dieren aan en verleent hen hun namen. Tussen al die dieren die aan hem voorbijtrekken, vindt Adam echter geen hulp die bij hem past. Hiernaast (afb. 2) zie je die scène. Sommige details van die miniatuur zijn verrassend: zo is Adam gekleed in een met bont(!) afgezette mantel op een moment dat hij volgens de bijbeltekst nog naakt zou moeten rondlopen. Het bestiarium van Meermanno borduurt daarmee voort op het veel oudere bestiarium van Aberdeen dat te zien is op de (Engelstalige) website van die universiteitsbibliotheek.

Schepping van Eva uit een rib van Adam
Om Adam toch een passende hulp te geven laat Hij hem in een diepe slaap vallen. En 'terwijl hij sliep, nam Hij één van zijn ribben weg en zette er vlees voor in de plaats. En de HEER God vormde de rib die Hij uit de mens had weggenomen tot een vrouw, en bracht haar naar de mens'. Hiernaast (afb. 3) zie je een heel letterlijke illustratie van hoe Eva uit de zijde van Adam wordt opgeheven. De historiebijbel meldt, met onontkoombare logica, dat de man daarom rechts een rib meer heeft dan links...

Insteling van het huwelijk
In deze paragrafen van Genesis ligt eigenlijk het fundament van de christelijke opvatting van het huwelijk. Veel duidelijker dan Genesis 2:24 kun je het niet zeggen: 'Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw en die twee zullen één zijn. Ze waren beide naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze voelden geen schaamte voor elkaar'. Deze passage wordt ook wel de 'instelling van het huwelijk' genoemd.

De Zondeval
Nadat God Adam naar de hof van Eden heeft gebracht vertelt Hij hem dat hij mag eten van alle bomen, op één na: de Boom der Kennis van Goed en Kwaad. Pas daarna neemt Hij Adams rib weg om Eva te vormen. De historiebijbel vlecht de twee teksten over de schepping van de mens in elkaar en Eva is er dus al wanneer de waarschuwing gegeven wordt: 'Doe beval God Adam dat paradise te bewaren. Ende doe geboet Hi hem ende seide: "Eet van alle die vruchten die in den paradijs sijn, sonder van die vrucht die midden in den paradijs staet: die vrucht geeft wetenheit van guet ende van quaet. Daerom en eet daer niet of, want in wat dach dat gi daerof eet, so sel gi den doot moeten sterven"'.
In de miniatuur uit de Rijmbijbel (afb. 5) zien we God Adam waarschuwen. Eva is niet aanwezig.

Dat Adam en Eva de waarschuwing negeren is overbekend. Eerst laat Eva zich overhalen door de slang-duivel, om te eten van de Boom der Kennis; vervolgens verleidt Eva Adam om hetzelfde te doen. In de miniatuur rechts (afb. 6) zien we de verschillende momenten van het verhaal van de Zondeval tegelijk in beeld gebracht. Het gebaar van Adam die naar zijn keel grijpt (afb.7), legt een dramatische klemtoon op dit beslissende moment uit de bijbel.

De Verdrijving uit het Paradijs
De eerste straf volgt op de eerste zonde. Zodra Adam en Eva van de verboden vrucht gegeten hebben zien ze hun eigen en elkaars naaktheid: 'Daarom hechtten ze vijgenbladeren aaneen en maakten daar lendenschorten van'. Als Adam zich vervolgens voor God verbergt uit schaamte voor zijn naaktheid, weet God genoeg: Adam is zijn onschuld kwijt.
De miniatuur hiernaast (afb. 8) illustreert niet de bijbeltekst, maar de tekst van de historiebijbel: 'Ende doe maecte God Adam ende Eva elc een pels ende toechse hem an ende seide: "Siet, Adam, nu sidi gemaect als een van ons, wetende guet ende quaet, ende op avontueren dat gi u hant niet en steect an die vrucht des levens, want aet gi daerof, so soudt gi ewelic leven. Daerom gaet uut den paradise ende bearbeit die aerde, daer gi of gemaect sijt."
Het rechtergedeelte van de miniatuur laat zien hoe een engel met een vurig zwaard de ingang van het paradijs bewaakt om den wech te bewaren die gaet totten hout (=boom) daer die vrucht an wast daer men ewelic of leeft'.

Auteur: Hans Brandhorst