Wie een katholieke en een protestantse bijbeleditie naast elkaar legt ziet dat het Oude Testament volgens de katholieke kerk diverse hoofdstukken meer telt dan volgens protestantse gelovigen. Kennelijk is men het niet eens kunnen worden over de vraag of boeken zoals Tobit, Judith, Makkabeeën, Wijsheid, de Wijsheid van Jezus Sirach en Baruch nu wel of niet in de bijbel thuishoren.
Dat verschil van mening is symbolisch voor de discussie over welke geschriften werkelijk tot de bijbel gerekend moeten worden en welke geschriften niet of niet helemaal. De eerste groep noemt men canonieke teksten. Samen vormen zij dus de bijbelse canon. Voor de tweede groep gebruikt men het Griekse woord voor 'verborgen', namelijk apocrief.
De kleinere protestantse canon komt overeen met de Hebreeuwse canon die in de eerste eeuw na Christus vastere vorm heeft gekregen. Boeken waarvan men veronderstelde dat ze van oorsprong in het Grieks geschreven waren of Griekse aanvullingen waren op Hebreeuwse boeken - volgens moderne filologen en theologen lagen de zaken niet zo simpel - werden als niet-canoniek beschouwd.
De grotere katholieke canon van de Vulgata - de geaccepteerde norm gedurende de Middeleeuwen - ging terug op de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Oude Testament. Die vertaling, de Septuaginta, was bedoeld was voor de joden die in de diaspora buiten Palestina verspreid waren geraakt en voor wie het Grieks de voornaamste taal was.
Ook al is er onder de verschillende christelijke denominaties overeenstemming over welke boeken tot de canon van het Nieuwe Testament horen, toch zijn er vele nieuwtestamentische apocriefen. Dat zijn vaak teksten waarin het verhaal van het leven van Jezus wordt aangevuld met details die we vergeefs zoeken in de evangelieën van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes.
