Castoreum en bevergeil

pagina: 1 2

horen hoden die sijn nutte te vele noden ... (I)

Castratie uit zelfbescherming
De teelballen van de bever kun je gebruiken bij de bestrijding van een heleboel kwalen ... Zo ongeveer vat Jacob van Maerlant in zijn boek Der Naturen Bloeme samen waarom de mensen op de bever jagen.
Wat doet de bever dus als hij door een jager op de hielen gezeten wordt? Hij bijt zijn eigen teelballen eraf en gooit die naar de jager. De jager - zo mag hij hopen - zal hem dan verder met rust laten. Nu kan het natuurlijk gebeuren dat diezelfde bever later nog eens een jager tegenkomt die het op zijn testikels voorzien heeft. Als hem dat overkomt, dan is het dier zo slim om aan die jager te laten zien dat jagen geen zin meer heeft. Daartoe draait hij zich om en laat de 'lege plek' zien.

Afbeelding 1 laat dus geen hond zien die zich eens flink achter zijn oor krabt. Afbeelding 2 toont je ook geen vervaarlijk roofdier dat een jager aanvalt. Nee, bovenaan (afb. 1) zie je hoe de bever zichzelf verminkt en daaronder (afb. 2) dat de bever zich omgedraaid heeft om zijn verminking aan een volgende jager te laten zien.

De bever in natuur en miniatuur
Het is voor ons moeilijk in te schatten of men er zich in de middeleeuwen erg druk over maakte hoe een bever er eigenlijk uitzag. Geen van de drie dieren rechts op deze pagina lijkt ook maar in de verte op een bever. Ook weten we niet hoe groot de kans is dat de schilders van deze miniaturen of hun opdrachtgevers weleens een bever gezien hadden. Het is bekend dat in de middeleeuwen bevers voorkwamen in Noord-West Europa, ook in Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden, waar deze handschriften gemaakt zijn. Pas in de negentiende eeuw zijn ze verdwenen uit de natuur.

Waar we echter zeker van kunnen zijn is dat middeleeuwse schilders niet met een schetsboek de natuur in gingen om bevers te tekenen. We komen in middeleeuwse boeken ook weleens een levensechte tekening van een bever tegen, maar meestal copieerde men de plaatjes, net als de teksten, uit oudere afschriften van hetzelfde boek. Afbeelding 3 rechts is ruim honderd jaar na de eerste gemaakt, maar het lijkt erop dat hetzelfde model is gebruikt. De houding van het beest is in beide plaatjes bijna gelijk, de boompjes staan op dezelfde plek en bovendien is de geruite achtergrond bewaard gebleven, wat voor deze laatste miniatuur erg ouderwets is.

Middeleeuwse en moderne dierkunde
De miniaturisten gingen er dus niet op uit om in het veld bevers te bekijken en ook van Jacob van Maerlant hoeven we niet aan te nemen dat hij het veld in trok om hun gedrag te bestuderen. Wat hij over het dier geschreven heeft, stelde hij samen uit wat andere schrijvers voor hem al verteld hadden. Al sinds Aristoteles wordt verteld dat 'bevergeil' - castoreum - een genezende werking heeft en dat de bever zichzelf 'beschermt' tegen jagers door zich te verminken.
Een paar moderne gegevens over de bever - die we natuurlijk zelf ook overnemen uit onze bronnen - verklaren wel wat van die verhalen. Zo zitten bij het bevermannetje de penis en teelballen in de buikholte. Die zijn dus inderdaad aan de buitenkant niet goed te zien en daardoor kan het lijken alsof ze verdwenen zijn. Wel zit er bij de anus van de bever een klier die een geurstof produceert - castoreum - en dat castoreum wordt opgeslagen in een soort zakje. In castoreum zit salicylzuur en dat is een stof die wel degelijk een geneeskrachtige werking heeft. Salicylzuur is namelijk een van de bouwstenen van aspirine. De bever krijgt dat zuur binnen door het eten van wilgenschors. Ook Maerlants bronnen wisten: "Scorsen van bomen ende blade eti". Al in de Oudheid werd castoreum door artsen gebruikt, bijvoorbeeld om koorts te bestrijden.

Auteur: Hans Brandhorst

pagina: 1 2