Uitdrukkingen als 'een wet van Meden en Perzen', 'gewogen en te licht bevonden' en 'een reus op lemen voeten' worden dikwijls niet meer herkend als bijbelse uitdrukkingen. Voor velen is dat een teken aan de wand voor de snel voortschrijdende ontkerstening van de Nederlandse cultuur.
Alle vier de cursief gezette uitdrukkingen hierboven zijn niet alleen afkomstig uit de bijbel, ze komen ook alle vier uit hetzelfde bijbelboek, namelijk het boek Daniël. Dat zegt iets over de populariteit en de 'citeerbaarheid' van het boek Daniël.
Volgens dat bijbelboek werd Daniël met een deel van het joodse volk weggevoerd naar Babylon door de soldaten van koning Nebukadnessar. Met drie vrienden die de Babylonische namen Sadrak, Mesak en Abednego kregen, werd hij opgeleid om de Mesopotamische heerser als ambtenaar te dienen.
Het staat echter inmiddels wel vast dat het boek Daniël zo'n vier eeuwen jonger is dan de Babylonische ballingschap. Het stamt waarschijnlijk uit de tijd dat het joodse volk zich teweer moest stellen tegen de Hellenistische koning Antiochus Epifanes (175-163 v. Chr.). Verhalen waarin standvastigheid in het geloof en een onbevreesde houding tegenover vreemde heersers werden aangeprezen moesten de bedreigde joden een hart onder de riem steken.
Vasthouden aan de eigen godsdienst en de eigen gebruiken is daarom een belangrijk thema van het boek Daniël en van een aantal van de meest bekende afbeeldingen ervan. Het verhaal van de drie jongelingen in de vuuroven wordt elders verteld, net als dat van de reus op lemen voeten waarover koning Nebukadnessar een nachtmerrie had.
Daniël in de leeuwenkuil
Tot tweemaal toe werd Daniël aan de proef van de leeuwenkuil onderworpen. In hoofdstuk 6 wordt verhaald hoe de autochtone hoge ambtenaren van het Babylonische rijk proberen van de joodse balling Daniël af te komen. Die heeft namelijk enorm carrière gemaakt. De koning (de door de tweede eeuwse schrijver van het bijbelboek verzonnen Darius de Mediër) wil hem zelfs bevorderen tot de hoogste bestuurder van allemaal.
De inheemse bestuurders smeden een plan waarbij ze Daniël willen treffen in zijn Achilleshiel - zijn joodse geloof. Ze weten dat Daniël driemaal per dag tot God bidt, geknield en met het hoofd gekeerd naar Jeruzalem. Eerbied veinzend voor hun koning stellen ze Darius voor de wet zodanig te wijzigen dat het de eerste dertig dagen niet is toegestaan tot een ander dan de koning zelf gebeden te richten. De straf: geworpen worden in een kuil met leeuwen. Ze vragen de koning dat wetsbesluit schriftelijk vast te leggen zodat het onherroepelijk is 'als een wet van Meden en Perzen'.
Kort daarop overvallen ze Daniël die voor het open raam aan het bidden is en ze confronteren Darius met de spreekwoordelijke onwrikbaarheid van zijn eigen wet. Zeer tegen zijn zin gehoorzaamt de koning uiteindelijk aan de nieuwe wet. Hij laat Daniël bij de leeuwen opsluiten, maar spreekt tegelijk de hoop uit dat de God van Daniël hem zal helpen. Dat gebeurt ook en na een angstige, doorwaakte nacht kan Darius tot zijn opluchting zijn favoriete ambtenaar uit de kuil laten halen.
De koning neemt geen halve maatregelen en laat - waarschijnlijk zonder verdere juridische onderbouwing - de bestuurders die Daniël beschuldigd hadden met hun gezinnen voor de leeuwen werpen: de hongerige leeuwen storten zich op de families nog voor ze de bodem van de kuil bereikt hebben...
Net als Nebukadnessar na de uitleg over zijn droom, is Darius na deze episode overtuigd van de macht van de God der joden en hij beveelt dat iedereen in zijn rijk 'de God van Daniël moet eerbiedigen en vrezen".