Nog een leeuwenkuil
Ook de tweede maal dat Daniël voor de leeuwen gegooid wordt, is zijn weigering te buigen voor de religieuze overtuiging van de Babyloniërs de aanleiding. Het verhaal wordt verteld in het (apocriefe) veertiende hoofdstuk en bestaat uit twee delen.
De Babyloniërs hadden een afgodsbeeld waaraan ze dagelijks een forse hoeveelheid spijs en drank offerden. Ook de koning, inmiddels hebben we te maken met de Pers Kores (Cyrus), vereerde dat beeld. Daniël geeft de voorkeur aan zijn eigen God - 'de levende God die hemel en aarde geschapen heeft'. Terecht concludeert de koning daaruit dat Daniël het beeld van Bel geen 'levende god' acht. Hoe verklaart hij dan, zo vraagt de koning snedig, dat al dat geofferde voedsel telkens schoon op is? Daniël schampert daarop dat zo'n beeld niet eten kan, en passant de priesters van Bel dodelijk beledigend.
De koning daagt daarop de priesters en Daniël uit met bewijzen te komen, een uitdaging die ze allen aannemen. Daniël vertrouwt daarbij op zijn God. De priesters vertrouwen op de geheime gang waardoor ze 's nachts toegang hebben tot de ruimte waar het beeld staat en waar ook het voedsel ligt. Daniël laat echter een fijn laagje as over de tempelvloeren strooien. Wanneer Kores de volgende ochtend de ruimte komt inspecteren wijst Daniël hem op de voetafdrukken van de priesters en hun vrouwen en kinderen, die zich ook deze nacht weer aan de geofferde lekkernijen tegoed gedaan hebben. Vanwege dat bedrog laat de voor schut gezette koning Kores een bloedbad onder de priesters en hun families aanrichten.
'To add insult to injury ...' beweert Daniël vervolgens dat een door de Babyloniërs vereerde draak ook al geen levende god is. Ondanks de vorige episode stelt de koning zich weer kritisch op jegens Daniël. Hij werpt tegen dat je van een heuse draak moeilijk kunt beweren dat dat geen 'levende god' is. Daniël vat ook die uitspraak van Kores op als een uitdaging en vraagt of hij ongewapend de draak mag naderen en doden. Als de koning toestemt, dan maakt Daniël koeken van pek, vet en haren. Dat blijkt een recept dat de draak wel aanspreekt want hij vreet zich letterlijk te barsten aan hetgeen Daniël hem voert.
De zwaar beledigde draak-gelovigen keren zich dan tegen de koning en eisen het hoofd van Daniël. De koning die wel voelt dat hij al te voortvarend geëxperimenteerd heeft met de religieuze gevoelens van zijn onderdanen, levert Daniël aan hen uit. Zij werpen hem vervolgens weer in een kuil, ditmaal met zeven leeuwen die gewoon waren dagelijks twee lijken en twee schapen te verorberen. Ofschoon men de leeuwen zes dagen lang dit rantsoen onthoudt, lijden ze liever honger dan Daniël te beroeren. Daniël, daarentegen, hoeft geen honger te lijden. Vele kilometers verderop, in Judea, had de profeet Habakuk juist 'wat moes gekookt en enkele broden in een schotel gebrokkeld' om de maaiers op het veld te bevoorraden. Deze Habakuk wordt er vervolgens letterlijk met de haren bijgesleept: de engel tilt hem - met moes en brood - op 'bij de haren van zijn kruin' en brengt hem met de snelheid van de geest naar Daniël. Nadat Daniël de goede gaven in ontvangst heeft genomen brengt de engel Habakuk met dezelfde fantastische snelheid terug naar Judea.