Nebukadnessar

Nebukadnessar II was koning van van het Nieuw-Babylonische Rijk van 605 tot 562 voor Christus. Onder deze koning bereikte Babylon zijn grootste bloei. Zijn heerschappij strekte zich uit over grote delen van het Midden-Oosten. In 605 versloeg hij farao Necho II. In 597 veroverde hij voor de eerste maal Jeruzalem en nam ruim 3000 gevangenen, waaronder koning Jojakin en de profeet Ezekiël, mee terug naar Babylon. Sedekia werd door hem aangesteld als nieuwe koning van Juda.
In 587, toen Judea met steun van Egypte wederom in opstand was gekomen, verwoestte hij Jeruzalem na een lange belegering. De hongersnood was zo verschrikkelijk dat moeders hun eigen kinderen opaten.

Een van de joodse ballingen in Babylon was Daniël, die een vooraanstaande plaats aan het hof weet te verwerven. Op Daniëls advies worden zijn drie metgezellen Sadrak, Mesak en Abednego benoemd tot bestuurders van de 'provincie Babel'. De drie houden vast aan hun gewoonten en vooral aan hun godsdienst. Dat brengt hen in groot gevaar wanneer zij weigeren een door Nebukadnessar opgericht gouden standbeeld te aanbidden. De drie worden in een grote oven gesmeten, maar hoe heet de oven ook gestookt wordt, het vuur deert hen niet. Ze barsten zelfs uit in een lang loflied. In de miniatuur uit de Cité de Dieu zien we dat ze dat lied onder begeleiding van vier muzikanten in hoofse kledij zingen.

In het boek Daniël staan opmerkelijke dingen vermeld over Nebukadnessars latere jaren. Hij beleeft wat je een psychotische episode zou kunnen noemen. Hij eert de God van Daniël en lijkt zich daartoe zelfs bekeerd te hebben. Ook worden verschillende van zijn dromen en visioenen beschreven.

Nebukadnessar heeft een actuele betekenis als voorbeeld voor de (inmiddels ex-)dictator van Irak, Saddam Hussein.

Auteur: Hans Brandhorst