Er is een wereld van verschil tussen wat Pieter van der Ven, Simon
Steenberch en Saddam Hussein beoogden met hun verwijzing naar
Nebukadnessar. Ze speculeerden er echter wel alledrie op dat anderen hun
spel met beelden zouden kunnen meespelen. Saddams vergeleek zichzelf met de
grootste Mesopotamische koning uit het verleden van Irak. Steenberch
vergeleek - al is dat natuurlijk niet te bewijzen - de val van het beeld
met de val van de kerk van Rome. Van der Ven vergeleek de val van het beeld
van Saddam met de val van het beeld in de droom van de koning.
Het
sleutelwoord hier is: 'vergelijken'. Door een gebeurtenis te
vergelijken met een andere gebeurtenis of een verhaal proberen ze
haar te verduidelijken of uit te leggen.
Een in de Middeleeuwen heel bekende vorm van vergelijking komen we tegen in een genre teksten waarin de bijbel wordt verduidelijkt en uitgelegd. In boeken als het Speculum Humanae Salvationis, de Biblia Pauperum en de Bible moralisée worden gebeurtenissen uit het Oude en Nieuwe Testament systematisch met elkaar in verband gebracht. Daarmee wordt onderstreept dat het (joodse) Oude Testament en het (christelijke) Nieuwe Testament onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Gebeurtenissen die in het Oude Testament worden verhaald ziet men als vooruitwijzing naar het Nieuwe Testament. Gebeurtenissen die in het Nieuwe Testament beschreven worden, verklaren op soms heel ingenieuze wijze verhalen uit het Oude.
Ook de droom van Nebukadnessar speelt een rol in zo'n typologische vergelijking, zoals je kunt zien aan de twee pagina's 11 verso en 12 recto, die hier zijn afgebeeld (afb. 1 en 2). Die pagina's vormen samen een opening in Meermanno 10 B 34, een exemplaar van de bovengenoemde Speculum-tekst. Beide pagina's hebben twee tekeningen met het daarbij behorende Latijnse commentaar. Zo'n vergelijking waarin vier thema's een rol spelen kan bijzonder ingewikkeld zijn. We kunnen er hier dan ook niet alle aspecten van behandelen. Wel kunnen we eens proberen door een Middeleeuwse bril te kijken naar de vier thema's zodat we wat beter begrijpen waarom juist die bij elkaar gezet zijn.
Dit zijn de afgebeelde onderwerpen:
De Vlucht naar Egypte
Diverse apocriefe verhalen over de Vlucht naar Egypte vertellen dat
afgodsbeelden in Egypte kapot vielen toen Jezus samen met Maria en Jozef in
dat land aankwam. In sommige versies storten de beelden zonder meer van hun
voetstuk, in een andere versie gaan Maria en Jezus een tempel binnen,
alwaar de godenbeelden zich ter aarde werpen uit eerbied voor de hogere
macht van Jezus.
Spontaan omvallende afgodsbeelden riepen natuurlijk
associaties op met de droom van Nebukadnessar. Die werden versterkt door
het feit dat de Egyptische beelden ook omvielen zonder door mensenhanden te
zijn beroerd. De oorzaak van hun val is de aanwezigheid van Jezus en dat is
precies wat het Speculum zegt over de steen die de reus op lemen voeten
verbrijzelde: die steen die de weg voorbereidt voor het 'koninkrijk van
God' wijst ondubbelzinnig vooruit naar Jezus. Bovendien: zoals die steen
zonder menselijke tussenkomst uit de rotswand losliet, zo werd Jezus
geboren uit de maagd Maria, d.w.z. zonder 'menselijke
bemoeienis'.
Het beeld van een maagd met een kind in Egypte
Tijdens de ballingschap van de joodse profeet Jeremia in Egypte vragen
Egyptenaren hem of er nog wonderbaarlijke zaken in het verschiet liggen. Zo
vertelt ons althans het Speculum, daarbij terug grijpend op de Historia
Scholastica van Petrus Comestor. Jeremia bevestigt dat en voorspelt dat de
godenbeelden van Egypte zullen vallen voor een maagd met haar
kind. Egyptenaren maken vervolgens een beeld met als onderwerp een maagd
met haar kind.
Wanneer de beelden vallen bij het verschijnen van
Maria en Jezus wordt de voorspelling van Jeremia ingelost.
Mozes trapt op de kroon van farao en stopt gloeiende kolen in zijn
mond
De afgodsbeelden die omvallen tijdens de Vlucht naar Egypte werden ook
vergeleken met een verhaal uit het leven van Mozes dat niet verteld wordt
in het Oude Testament maar dat we wel vinden in de Historiebijbel. De
dochter van farao die in de Nederlandse vertaling Termet wordt genoemd,
neemt op zekere dag het door haar geadopteerde joodse jongetje Mozes mee
naar haar vader. De farao heeft aardigheid in het ventje en zet hem zijn
kroon op het hoofd: Ende an die croen daer stont een beelde van
Jupiter zo zegt de Nederlandse historiebijbel, waar het Speculum het,
historisch meer verantwoord, houdt op een beeld van Ammon. Zo klein als hij
is, is Mozes niet gediend van zo'n heidense afgod op zijn hoofd. Hij gooit
de kroon dan ook op de grond - waarop het afgodsbeeld breekt! - en gaat
erop staan.
De raadsheren van farao zijn niet alleen boos om zo'n
gebrek aan eerbied, maar ze herkennen in Mozes ook het kind waarvan
voorspeld is dat het Egypte in het verderf zal storten. Een heydensche
paep raadt de koning aan het kind te doden. Een iets mildere collega
stelt voor het kind twee schalen voor te zetten: een vat vol barnende
colen ende een vat mit spijs. Als Mozes een kool pakt en in zijn mond
stopt is daarmee voor farao het bewijs geleverd dat hij de kroon vernielde
uit kinderlijke onnozelheid. Mozes, zo zegt de Historiebijbel, hield er wel
een spraakgebrek aan over: hij zou zijn leven lang blijven lispelen.