Zoals alle media besteedde dagblad Trouw uitgebreid aandacht aan wat
zich afspeelde op het Fardoesplein in Bagdad op woensdag 9 april 2003. Of
Trouw "misschien wel de beste krant van Nederland is", weten we niet. Het
is echter wel een van de meest bijbelvaste. In ieder geval bijbelvast en
alert genoeg om gebruik te maken van een mooie bijbelse parallel als de
gelegenheid zich voordoet. Zelden krijgt men echter zo'n mooie kans om
zinvol naar een bijbelverhaal te verwijzen als bij het omverhalen van het
standbeeld van Saddam Hussein op dat plein in het centrum van Bagdad.
Over welke parallel hebben we het? Natuurlijk over die tussen het van
zijn voetstuk getrokken standbeeld van Saddam Hussein en de reus op
lemen voeten uit de droom van Nebukadnessar II, één van de bekendste
koningen uit de geschiedenis van Mesopotamië. Saddam werd zelf niet moe te
verwijzen naar beroemde koningen uit het verleden van Irak. Zo gebruikte
hij hun namen voor sommige divisies van zijn Republikeinse Garde. Ook is
het bekend dat hij persoonlijk bewondering koesterde voor koning
Nebukadnessar. Wie was echter Nebukadnessar, en wat vinden we over hem in
westerse middeleeuwse bronnen?
Nebukadnessar regeerde van 605 tot 562 voor Christus over het
Babylonische rijk. In zijn regeerperiode zijn meerdere malen groepen
inwoners van Israël als gevangenen weggevoerd naar Babylon. Een van de
bekendste ballingen was de profeet Daniël. Samen met andere zonen van
vooraanstaande families kreeg hij een opleiding aan het hof van de koning
zodat hij zich daar later nuttig zou kunnen maken.
De bijbel vertelt
dat als volgt: "Aan Aspenaz, zijn hofmaarschalk, gaf Nebukadnessar het
bevel om uit de Israëlieten enkele jongemannen te kiezen die van
koninklijken bloede waren of van voornamen huize, zonder enig
lichaamsgebrek, welgevormd, veelzijdig ontwikkeld, met een uitgebreide
kennis en een scherp verstand, geschikt om dienst te doen in het paleis van
de koning."
De Franse versie van de historiebijbel (afb. 4) laat zien hoe men de
geschiktheid om in dat paleis te werken bevorderde, namelijk door
castratie.
Net als bij latere Byzantijnse en islamitische heersers
waren belangrijke vertrouwelingen van de koning eunuchen. In Vulgaat en Septuagint, maar ook in
moderne Engelse en Franse vertalingen wordt Aspenaz dan ook "meester der
eunuchen" genoemd. Het is opmerkelijk dat in Nederlandse vertalingen
gekozen wordt voor een neutralere term als 'hofmaarschalk' (moderne
Willibrordvertaling) en 'hoofd der hovelingen' (Protestantse vertaling van
1953). De vraag is vanaf wanneer Nederlandse bijbelvertalingen hier niet
meer zo precies zijn als andere versies van de bijbel.
Al leren Daniël en zijn vrienden Chananja, Misaël en Azarja heel snel de taal en het schrift der Chaldeeën, ze maken direct aan hun nieuwe meester Aspenaz duidelijk dat ze willen vasthouden aan hun eigen geloof. Ze blijven bijvoorbeeld vastberaden gehoorzamen aan de door Mozes ingestelde joodse spijswetten. Om kosjer te kunnen eten, moeten ze dus al meteen ongehoorzaam zijn aan de koning. Aspenaz is daarover bezorgd. Hij is bang dat de mooie jongens er niet zo goed meer zullen uitzien als ze blijven weigeren te eten "van de gerechten van de koninklijke tafel en de wijn die hij zelf dronk". Als de vier na tien dagen vegetarisch eten en water drinken er beter uitzien dan ooit, gaat Aspenaz akkoord met hun menu-wensen.