Noach

Het vijfde hoofdstuk van het boek Genesis somt de nakomelingen van Adam op, te beginnen met Set, de jongere broer van Kaïn en Abel. Acht generaties later wordt Noach geboren, zoon van Lamech, kleinzoon van Metuselach en achterkleinzoon van Henoch.

"Noach was een rechtschapen man; hij bleef temidden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God".
Noach was het enige lichtpuntje dat God zag toen hij het besluit genomen had om de schepping ongedaan te maken. Over de aanleiding van Gods teleurstelling krijgen we in hoofdstuk 6 van het boek Genesis niet veel details te horen. 'De mensheid was slecht' ... daar komt het eigenlijk op neer en "Hij was er zeer verdrietig om".
God besluit tot radicale maatregelen: hij zal de aarde volledig onder water zetten. Alleen aan de vrome Noach biedt hij een uitweg: "U moet een ark van pijnhout bouwen; met riet moet u de ark maken, en haar van binnen en buiten met pek bestrijken ... driehonderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog ...". In die ark moet Noach zich inschepen met zijn vrouw, zijn zonen Sem, Cham en Jafet en hun vrouwen. Om te voorkomen dat in de enorme zondvloed waarmee God de mensheid wil verdelgen ook het volledige dierenrijk als 'collateral damage' zal verdwijnen, moet Noach van alle levende wezens een paar exemplaren aan boord nemen.

Wanneer het water, dat "al de hoge bergen bedekte", eindelijk weer gezakt is en de familie Noach weer vaste grond onder de voeten heeft, sluit God een verbond met Noach en via hem met alle toekomstige generaties. Ten teken daarvan zet God de regenboog aan de hemel.

"Noach was landbouwer en hij was de eerste die een wijngaard plantte", zo lezen we in Genesis 9. Noach was niet alleen de eerste die een wijngaard plantte, hij was - niet zo verwonderlijk - ook de eerste die te diep in het glaasje keek. Zijn zoon Cham stuit op zijn vader die naakt zijn roes ligt uit te slapen. Hij roept zijn oudere broers erbij en die leggen een mantel over hun vader heen, ervoor wakend dat "zij de naaktheid van hun vader niet zagen". Wanneer Noach ontwaakt, is hij danig uit zijn humeur - waarschijnlijk had hij ook de eerste kater - en hij vervloekt Cham en zegent Sem en Jafet.

Auteur: Hans Brandhorst