Daar steek ik mijn hand voor in het vuur ...
betekent zoveel als 'ergens garant voor staan'. Je zegt dat alleen als je
ergens rotsvast van overtuigd bent. Zó overtuigd zelfs, dat je
bereid zou zijn tot zelfverminking als mocht blijken dat je je toch vergist
hebt.
Nou ja, bij wijze van spreken dan. We bedoelen natuurlijk niet
dat we echt een hand in het vuur zullen steken als blijkt dat we ons toch
vergist hebben. We gaan ervan uit dat iedereen de uitdrukking zal opvatten
als beeldspraak. Als je aanbiedt vrijwillig je hand te verbranden, roep je
een krachtig beeld op. Vrijwel iedereen heeft weleens met lucifers of
vuurwerk gespeeld of anders wel de hand op de electrische kookplaat
gelegd. Dus kan iedereen zich direct de bijbehorende pijn voorstellen.
Lange tijd was dat echter niet de enige associatie die men had bij deze
uitdrukking. Wie op school Latijn geleerd had, moest dan meteen ook denken
aan een beroemd verhaal uit de Romeinse geschiedenis.
Gaius Mucius, bijgenaamd Scaevola
Dat verhaal over de heldenmoed van Gaius Mucius, een Romein wiens
onverschrokkenheid zo legendarisch is geworden dat we na veel meer dan 2000
jaar zijn naam nog kennen, gaat als volgt:
In 507 voor Christus werd
de stad Rome langdurig belegerd door de Etrusken, onder leiding van hun
koning Lars Porsenna. Gaius Mucius, een jonge Romeinse edelman, kan het
niet aanzien dat zijn stadgenoten zwaar te lijden hebben onder de
Etruskische belegering. Hij vraagt aan de senaat toestemming om de stad uit
te sluipen en het Etruskische kamp binnen te gaan om daar Porsenna te
doden. De senaat stemt in met zijn plan en Gaius Mucius infiltreert in het
Etruskische kamp.
De Romeinse historicus Livius vertelt ons dat Mucius in het Etruskische kamp op een groep soldaten stuit, aan wie juist twee vrijwel gelijk geklede heren hun soldij uitbetalen. Mucius weet niet hoe Porsenna er eigenlijk uitziet en hij kan dat niet vragen zonder door de mand te vallen. Daarom besluit hij op goed geluk één van de mannen aan te vallen en neer te steken. Helaas gokt hij verkeerd. De man die hij doodt blijkt een klerk te zijn die namens de koning de soldaten uitbetaalde.
Uiteraard is ontsnappen onmogelijk tussen de Etruskische soldaten. Mucius wordt dan ook gevangen genomen en aan de koning voorgeleid. Onverschrokken stelt hij zich aan de koning voor en vertelt hem wat hij in het Etruskische kamp kwam doen. Hij waarschuwt Porsenna dat de Etrusken niet hoeven te proberen inlichtingen van hem los te krijgen, want hij is niet bang voor marteling. Als bewijs daarvan houdt hij zijn rechterhand in het vuur dat op een altaar brandt totdat er niets van over is. Porsenna is erg onder de indruk en geeft Mucius zijn vrijheid terug, waarop deze bluft dat er nog vele andere Romeinen klaarstaan om een nieuwe poging te wagen.
Valerius Maximus vertelt hetzelfde verhaal in zijn hoofdstuk De
Patientia, waarin hij allerlei staaltjes van Volharding bijeen
brengt. Hij vertelt het echter een klein beetje anders. Zo laat Valerius
Maximus de aanslag plaatsvinden wanneer Porsenna een offer brengt. Dat is
inderdaad bij de verluchting van beide handschriften waar we hier
miniaturen uit zien, als enscenering aangehouden. De miniatuur uit De
Civitate Dei toont een tempeltje met een beeld van Venus. In het detail uit
de Valerius Maximus van de KB klampt Porsenna zich vast aan een zuil met
een godenbeeld, terwijl Mucius op hem afkomt met een lans. Bij Livius doodt
Mucius de verkeerde; bij Valerius Maximus wordt hij gewoon door soldaten
tegengehouden en dat is inderdaad wat de miniatuur toont. Valerius vertelt
verder dat zijn woede over het falen van zijn eigen rechterhand de reden is
waarom Mucius zichzelf verminkt - voor wie er gevoelig voor is, een Monthy
Pythonesk drama.
De bijnaam die Gaius aan dit incident overhoudt is
Scaevola - linkerhand. Die erenaam zal voortaan verbonden blijven
aan de familienaam Mucius.
Het beeld dat Scaevola's moed het mooist samenvat is natuurlijk die hand in het vuur. Dat beeld is mensen eeuwenlang bijgebleven, zoals in een volgend hoofdstuk is te zien.
Auteur: Hans Brandhorst