Standvastigheid (G. Mucius Scaevola)

pagina: 1 2

Daar steek ik mijn hand voor in het vuur ...
betekent zoveel als 'ergens garant voor staan'. Je zegt dat alleen als je ergens rotsvast van overtuigd bent. Zó overtuigd zelfs, dat je bereid zou zijn tot zelfverminking als mocht blijken dat je je toch vergist hebt.
Nou ja, bij wijze van spreken dan. We bedoelen natuurlijk niet dat we echt een hand in het vuur zullen steken als blijkt dat we ons toch vergist hebben. We gaan ervan uit dat iedereen de uitdrukking zal opvatten als beeldspraak. Als je aanbiedt vrijwillig je hand te verbranden, roep je een krachtig beeld op. Vrijwel iedereen heeft weleens met lucifers of vuurwerk gespeeld of anders wel de hand op de electrische kookplaat gelegd. Dus kan iedereen zich direct de bijbehorende pijn voorstellen.
Lange tijd was dat echter niet de enige associatie die men had bij deze uitdrukking. Wie op school Latijn geleerd had, moest dan meteen ook denken aan een beroemd verhaal uit de Romeinse geschiedenis.

Gaius Mucius, bijgenaamd Scaevola
Dat verhaal over de heldenmoed van Gaius Mucius, een Romein wiens onverschrokkenheid zo legendarisch is geworden dat we na veel meer dan 2000 jaar zijn naam nog kennen, gaat als volgt:
In 507 voor Christus werd de stad Rome langdurig belegerd door de Etrusken, onder leiding van hun koning Lars Porsenna. Gaius Mucius, een jonge Romeinse edelman, kan het niet aanzien dat zijn stadgenoten zwaar te lijden hebben onder de Etruskische belegering. Hij vraagt aan de senaat toestemming om de stad uit te sluipen en het Etruskische kamp binnen te gaan om daar Porsenna te doden. De senaat stemt in met zijn plan en Gaius Mucius infiltreert in het Etruskische kamp.

De Romeinse historicus Livius vertelt ons dat Mucius in het Etruskische kamp op een groep soldaten stuit, aan wie juist twee vrijwel gelijk geklede heren hun soldij uitbetalen. Mucius weet niet hoe Porsenna er eigenlijk uitziet en hij kan dat niet vragen zonder door de mand te vallen. Daarom besluit hij op goed geluk één van de mannen aan te vallen en neer te steken. Helaas gokt hij verkeerd. De man die hij doodt blijkt een klerk te zijn die namens de koning de soldaten uitbetaalde.

Uiteraard is ontsnappen onmogelijk tussen de Etruskische soldaten. Mucius wordt dan ook gevangen genomen en aan de koning voorgeleid. Onverschrokken stelt hij zich aan de koning voor en vertelt hem wat hij in het Etruskische kamp kwam doen. Hij waarschuwt Porsenna dat de Etrusken niet hoeven te proberen inlichtingen van hem los te krijgen, want hij is niet bang voor marteling. Als bewijs daarvan houdt hij zijn rechterhand in het vuur dat op een altaar brandt totdat er niets van over is. Porsenna is erg onder de indruk en geeft Mucius zijn vrijheid terug, waarop deze bluft dat er nog vele andere Romeinen klaarstaan om een nieuwe poging te wagen.

Valerius Maximus vertelt hetzelfde verhaal in zijn hoofdstuk De Patientia, waarin hij allerlei staaltjes van Volharding bijeen brengt. Hij vertelt het echter een klein beetje anders. Zo laat Valerius Maximus de aanslag plaatsvinden wanneer Porsenna een offer brengt. Dat is inderdaad bij de verluchting van beide handschriften waar we hier miniaturen uit zien, als enscenering aangehouden. De miniatuur uit De Civitate Dei toont een tempeltje met een beeld van Venus. In het detail uit de Valerius Maximus van de KB klampt Porsenna zich vast aan een zuil met een godenbeeld, terwijl Mucius op hem afkomt met een lans. Bij Livius doodt Mucius de verkeerde; bij Valerius Maximus wordt hij gewoon door soldaten tegengehouden en dat is inderdaad wat de miniatuur toont. Valerius vertelt verder dat zijn woede over het falen van zijn eigen rechterhand de reden is waarom Mucius zichzelf verminkt - voor wie er gevoelig voor is, een Monthy Pythonesk drama.
De bijnaam die Gaius aan dit incident overhoudt is Scaevola - linkerhand. Die erenaam zal voortaan verbonden blijven aan de familienaam Mucius.

Het beeld dat Scaevola's moed het mooist samenvat is natuurlijk die hand in het vuur. Dat beeld is mensen eeuwenlang bijgebleven, zoals in een volgend hoofdstuk is te zien.

Auteur: Hans Brandhorst

pagina: 1 2